Repertoire: info over Septuor in E majeur, op.40, Blanc

home

Adolphe Blanc (1828-1885)– Septuor in E majeur, op.40 (1860)
Allegro
Andante
Tarantella (allegro vivace)
Finale (andante maestoso - allegro moderato)

In 1860 won Adoplhe Blanc de Prix Chartier voor zijn kamermuziek. Twee jaar daarvoor was zijn Septuor ontstaan, en we moeten de goede Blanc nageven dat mede dankzij hem de muziek voor de kleinere bezetting in die tijd in Parijs nog iets voorstelde. In het Frankrijk van Napoleon III, lees Parijs, telde alleen de opera. Meyerbeer, Gounod en Auber maakten de dienst uit, en het melomane publiek lag aan hun voeten. Je deed alleen mee in de salons als je een gevierd of verguisd operacomponist was. In diezelfde salons werd door een kleine groep langzaam wat kamermuziek binnengebracht, en de mensen werd geleerd er ook naar te luisteren. Blanc engageerde de bekende strijkers en blazers van zijn tijd en schotelde ze naast hun eeuwige Schubert en Mendelssohn nieuwe stukken van eigen bodem voor. Het kostte enige moeite, maar de muzikanten en het publiek begonnen te wennen. Natuurlijk was Blanc wel zo slim om wat water bij de wijn te doen: niet zelden balanceert zijn muziek op de rand van de onvervalste salondeun. Verder gonst het Septuor van de charme van Gounod (let vooral op de lyrische momenten in het langzame deel!), maar hier en daar wijst het toch al vooruit naar de laatromantiek van Franck en Fauré. Opvallend zijn verder de virtuoze passages voor klarinet en viool in het eerste deel, en de dramatische inleiding van de finale. Hoogtepunt van het septet is zonder twijfel het derde deel, de Tarantella, waarin alle ritmische vindingrijkheid en melodisch vernuft in elkaar passen.

Terug naar repertoire.